Verhaal: Geboren en getogen aan boord

………………………………..

Samen bekijken we de foto’s die wij onlangs maakten. Het valt haar op dat de houten schoorsteen ontbreekt en dat het watervat weer op de oorspronkelijke plaats staat. Ook de plaats van het mastdek kan haar goedkeuring dragen. De kleur -helder blauw met wit- is echter wennen. Ze probeert te omschrijven welke groene kleur het boeisel indertijd had, ze kijkt om zich heen, maar geen enkel voorwerp in de omgeving kan daarbij helpen. Een week later stuurt ze een stukje uit een tijdschrift dat de juiste kleur heeft. Als de familiefoto’s ‘van toen’ te voorschijn gehaald worden, komen met die foto’s de herinneringen weer boven. Hoe ze met 4 wildebrassen van kinderen op dat kleine schip leefden. In de zomer werden de petroleumstellen op de luiken gezet om buiten te koken. Als het ruim leeg was aten ze daar.

In de winter zat de hele familie in het achteronder, waar op het houtgestookte fornuis zowel de was als het eten werd gekookt. Vastgevroren liggen betekende pret, door het
noodgedwongen op dezelfde ligplaats blijven, ging je een langere periode naar dezelfde
school en kon je vriendjes en vriendinnetjes maken.

En uiteraard komt het beeld weer naar voor van kinderen die bij windstil weer
in het trekzeel het schip in gang moeten houden.
Ook weet ze te vertellen dat haar vader het schip onder een andere naam, n.l.
Eben Haezer had gekocht van de eerste eigenaar en bij die aankoop de naam had
veranderd. Ze overhandigt ons de notarisaktes waarin deze gegevens zijn vastgelegd. Ze herinnert zich ook dat die notaris voor de aankoop een lening verstrekte. Haar vader ging jaarlijks -in nette kleding gestoken- naar hem toe om een afgesproken deel af te lossen.

Het vaargebied was Friesland, Drenthe, Overijssel. De lading kon
van alles zijn; turf, soms bieten, lange tijd teerslakken (toen de asfaltwegen
aangelegd werden) en ook een periode kali.